Trainen
voor een operatie: heeft dat zin?
Thomas
Hoogeboom, Fysiotherapeut, Promovendus Sint Maartenskliniek Nijmegen
verricht onderzoek of het zin heeft mensen voor de operatie van een
nieuwe heup- of knieprothese te laten trainen, om zo fitter het
ziekenhuis in te gaan en daardoor ook fitter er weer uit te gaan.
Zie hieronder zijn bevindingen.
Achtergrond
Jaarlijks
krijgen ongeveer 50.000 mensen een nieuwe heup- of knieprothese.
Over het algemeen verlopen deze operaties prima en herstellen mensen
goed. Echter, een kleine groep mensen blijft pijn ervaren en bereikt
niet meer het activiteitenniveau dat zij voor de operatie hadden.
Dit zijn meestal ouderen die vooraf aan de operatie ook last hebben
van andere ziekten en veel problemen hebben met het uitvoeren van
dagelijkse activiteiten.
Wij
vroegen ons af of het loont om deze mensen voor de operatie te
trainen, zodat ze fitter het ziekenhuis ingaan en ook weer fitter
het ziekenhuis uitgaan (Beter in = Beter uit)
Wat
is er bekend?
In
eerste instantie hebben we gekeken of andere wetenschappers dit
onderzoek al hebben uitgevoerd. We vonden 12 wetenschappelijke
publicaties die dit principe (Beter in = Beter uit) hadden
onderzocht. Helaas voldeed geen van deze studies aan de door ons
voorafgestelde eisen. Veel studies waren onderzoekstechnisch niet
goed opgezet, waardoor de resultaten uit deze onderzoeken misschien
niet ‘waar’ zijn.
Ook
zagen we dat de onderzochte trainingen vaak van lage kwaliteit
waren. Zo waren de meeste trainingen te gemakkelijk (een training
moet wel vermoeiend zijn) Helaas leverde deze literatuurstudie ons
dus weinig informatie op en besloten we zelf een onderzoek op te
zetten.
Onderzoek
In
dit onderzoek - dat werd uitgevoerd in het Gelderse Vallei
Ziekenhuis te Ede in samenwerking met TNO en de Sint
Maartenskliniek, werden oudere patiënten getraind die op de
wachtlijst stonden voor een gewrichtsprothese. De training bestond
uit allerlei activiteiten die mensen na de operatie moesten kunnen,
zoals lopen, opstaan uit een stoel, opstaan en omrollen in bed,
traplopen, enzovoorts. Mensen trainden 2x per week onder begeleiding
in het ziekenhuis en 3x per week zelfstandig thuis. De
trainingsintensiteit was hoog om een zo groot mogelijk
therapie-effect te behalen.
Resultaten
Wij
waren vooral benieuwd of we deze groep mensen wel zo intensief
konden trainen. Gelukkig vonden alle deelnemers de therapie zowel
zinnig als leuk. Ook zagen we dat de deelnemers beter konden opstaan
uit de stoel en sneller liepen. Uit het onderzoek bleek echter ook
dat de een belangrijke groep van kwetsbare ouderen niet aan het
onderzoek deelnamen, omdat zij niet in staat waren om naar het
ziekenhuis te kunnen komen voor de training. Juist deze mensen
hadden we willen trainen. Uit een vervolgonderzoek bleek dat
kwetsbare ouderen wel deelnemen wanneer de training aan huis
plaatsvindt. De volgende stap is kijken of trainen voorafgaand aan
de operatie ook het herstel ná de operatie kan bespoedigen. Hier
zal ik de komende jaren samen met Maastricht Universiteit en TNO
verder onderzoek naar doen.
FibroNet:
het online netwerk voor de zorg aan mensen
met Fibromyalgie

FibroNet
is een online netwerk gericht op het bevorderen van de kwaliteit en
coördinatie van de zorg voor mensen met fibromyalgie. Via www.fibronet.nl
kunnen zorgverleners en mensen met fibromyalgie elkaar ontmoeten.
Achtergrond
Fibromyalgie
is een reumatische aandoening die gepaard gaat met pijn in het hele
lichaam en bijkomende symptomen zoals moeheid, niet uitgerust
ontwaken, moeite met nadenken of concentreren en
stemmingswisselingen. Voordat mensen met deze chronische
pijnklachten worden gediagnosticeerd met fibromyalgie, hebben zij
meestal al meerdere zorgverleners bezocht, zoals een huisarts, een
medisch specialist en een fysiotherapeut of oefentherapeut. Ook
nadat de diagnose fibromyalgie is gesteld blijven mensen met
fibromyalgie relatief veel gebruik maken van de gezondheidszorg.
Inmiddels zijn er wel verschillende behandelmogelijkheden ontwikkeld
zoals medicijnen, oefentherapie en cognitieve gedragstherapie, die
al dan niet in combinatie met elkaar ervoor kunnen zorgen dat de
levenskwaliteit van mensen met fibromyalgie verbetert.
De
huidige zorg voor mensen met fibromyalgie is echter versnipperd en
niet alle zorgverleners weten goed raad met de fibromyalgie klachten
en hoe zij deze mensen kunnen behandelen. Om consistente, passende
zorg in de praktijk te ondersteunen en te stimuleren heeft de Sint
Maartenskliniek het initiatief genomen tot het ontwikkelen van
FibroNet; een online netwerk voor zorgverleners die betrokken zijn
bij de zorg aan mensen met fibromyalgie klachten.
FibroNet
Om
de coördinatie en kwaliteit van de zorg te bevorderen is het online
netwerkwerk FibroNet opgezet. Daar
kunnen mensen met fibromyalgie en zorgverleners elkaar kunnen
ontmoeten.
Bij
het opzetten van het netwerk hebben de behandelaars van de Sint
Maartenskliniek samengewerkt met zorgverleners in de eerste en
tweede lijn, waaronder huisartsen, reumatologen, fysiotherapeuten en
psychologen. Ook de Landelijke patiëntenvereniging Fibromyalgie
(FES) is betrokken geweest bij de ontwikkeling.
Op
de website (www.fibronet.nl) staat informatie over de aandoening
fibromyalgie en de wetenschappelijk bewezen behandelmogelijkheden
van fibromyalgie. Ook zal er een ‘zorgzoeker’ worden
gerealiseerd. Hier kunt u binnenkort adressen van zorgverleners
vinden die deze wetenschappelijk bewezen behandelingen aanbieden.
Alleen zorgverleners die aan de kwaliteitseisen van het netwerk
voldoen zullen in deze ‘zorgzoeker’ worden opgenomen.
FibroNet
wil er aan bijdragen dat goede en passende zorg beschikbaar is voor
mensen met fibromyalgie en heeft zich de volgende doelen gesteld:
•
Het faciliteren van onderlinge afstemming tussen zorgverleners;
•
Het toegankelijk maken van het zorgaanbod middels de ‘zorgzoeker’;
•
Het organiseren van professionele uitwisseling en
deskundigheidsbevordering;
•
Het bevorderen van evidence-based behandelingen.
Het
online netwerk staat nog in de kinderschoenen. De komende tijd zal
er hard gewerkt worden om de functionaliteiten van het FibroNet (o.a.
zorgzoeker, blogs ed.) uit te breiden en de bekendheid van het
online netwerk bij zorgverleners en mensen met fibromyalgie in de
regio Nijmegen en omgeving te vergroten.
Onderzoek
naar twee behandelingsprogramma’s voor gegeneraliseerde artrose
In
de Sint Maartenskliniek loopt op dit moment een onderzoek naar twee varianten
van een behandelprogramma voor gegeneraliseerde artrose. Nienke Cuperus,
onderzoeker en bewegingswetenschapper van de Sint Maartenskliniek geeft
informatie over het onderzoek.
Vrijwel
iedereen kent de termen ‘heupartrose’ en ‘knieartrose’. Veel
medisch-wetenschappelijk onderzoek richt zich dan ook op deze vormen
van artrose. Maar er is ook nog zoiets als ‘gegeneraliseerde
artrose’. "Naar deze vorm van artrose is nog weinig onderzoek
gedaan", zegt Nienke Cuperus, onderzoeker en
bewegingswetenschapper van de Sint Maartenskliniek.
Wat
is dan gegeneraliseerde artrose?
"Wat
je regelmatig ziet, is dat mensen met heup- of knieartrose ook
problemen hebben in andere gewrichten", legt Cuperus uit.
"Onder gegeneraliseerde artrose verstaan wij artrose en
bijbehorende klachten in drie of meer groepen gewrichten. In twee
van die groepen is de artrose objectief vastgesteld. Dat kan met een
röntgenfoto of aan de hand van een standsafwijking." Een
andere benaming voor deze aandoening is ‘poly-artrose’. Bij de
behandeling van poly-artrose is het niet zinvol alleen naar de heup
of de knie te kijken. Cuperus: "Het is beter om klachten van
andere gewrichten in de behandeling mee te nemen."
Twee
groepen
De
Sint Maartenskliniek doet momenteel (zowel in Nijmegen als Woerden)
onderzoek naar twee varianten van het behandelprogramma voor
gegeneraliseerde artrose. Cuperus: "De ene variant bestaat uit
twee groepsbijeenkomsten plus vier telefonische consulten met een
gespecialiseerd reumaverpleegkundige. De andere variant bestaat uit
zeven groepsbijeenkomsten." Beide behandelprogramma’s zijn
tot stand gekomen in nauwe samenwerking met onder andere een
fysiotherapeut, een ergotherapeut, verpleegkundige en een
reumatoloog. Het
centrale doel van beide programma’s is zelfmanagement. "Het
is essentieel dat deelnemers gemotiveerd zijn om zelf met hun
artrose aan de gang te gaan", aldus Cuperus.
Loting
De
onderzoeker van de Sint Maartenskliniek laat weten dat deelnemers
aan het onderzoek niet zelf kunnen kiezen aan welke van de twee
behandelprogramma’s zij deelnemen. "Om de betrouwbaarheid van
het onderzoek te vergroten, loten we hierover", zegt ze.
"Beide behandelingen zijn inhoudelijk goed, maar de vorm van de
behandelprogramma’s verschilt."
Ook
mensen die nu niet onder behandeling zijn bij de Sint
Maartenskliniek kunnen aan het onderzoek meedoen. Zij moeten dan wel
een verwijzing hebben van hun huisarts of reumatoloog.
Wat
is het doel?
"We
leggen de deelnemers aan het onderzoek op enkele momenten een
vragenlijst voor", geeft Cuperus aan. "Zo kunnen we
bijhouden hoe het met de deelnemers gaat. Aan de hand van de
resultaten uit dit onderzoek, kunnen wij de meest effectieve variant
van het behandelprogramma bij gegeneraliseerde artrose bepalen. Daar
hebben patiënten met gegeneraliseerde artrose in de toekomst dan
weer profijt van."
Meer
informatie over het onderzoek kunt u opvragen bij Nienke Cuperus,
tel. 024 – 327 27 26.
Dress-studie
van de Sint Maartenskliniek
TNF-blokker
afbouwen en stoppen
Veel
patiënten met reumatoïde artritis (RA) gebruiken in hun behandeling een van
de TNF-blokkers
adalimumab (Humira®) of etanercept (Enbrel®). De Sint Maartenskliniek start
een medisch-wetenschappelijk onderzoek naar het effect van het afbouwen van
én stoppen met deze geneesmiddelen: de DRESS-studie (Dose REduction
Strategies of Subcutaneous TNF inhibitors). Arts-onderzoeker Noortje van
Herwaarden: "TNF-blokkers zijn effectief gebleken in de behandeling van
RA, maar bij een deel van de patiënten blijft de RA ook rustig met minder of
zelfs helemaal geen TNF-blokker."
"Als
er geen klachten zijn van de RA, ligt dat niet met zekerheid aan de
TNF-blokker", geeft van Herwaarden aan. "De ziekte gaat met ups en
downs; het kan dus zijn dat de ziekte ook rustig zou zijn met lagere dosering
of zelfs zonder TNF-blokker.
Daarnaast
worden in ongeveer 5-25% van de patiënten antilichamen tegen het geneesmiddel
aangemaakt, waardoor dit middel niet meer werkzaam is.
Ook
kan de RA rustig zijn door de andere medicijnen die een patiënt gebruikt,
zoals NSAID’s, DMARD’s en prednison." TNF-blokkers hebben soms
bijwerkingen zoals een verhoogd risico op infectie.
Ook
zijn er wat zeldzamere ernstige bijwerkingen. "Het is dan ook de moeite
waard om te proberen dit medicijn af te bouwen", meent van Herwaarden.
"Bovendien zijn de kosten voor de maatschappij veel hoger bij
TNF-blokkers dan bij de klassieke reumaremmers. Een extra reden dus om
erachter te komen bij wie we de dosering kunnen verlagen of stoppen."
Twee
groepen
"Voor
het onderzoek benaderen we onze patiënten die al langere tijd adalimumab of
etanercept gebruiken en bij wie de ziekte rustig is", vertelt van
Herwaarden. "De patiënten beslissen zelf of ze willen meedoen of niet.
Als ze niet meedoen, heeft dat uiteraard geen gevolgen voor hun behandeling.
Uiteindelijk hebben we 180 patiënten nodig voor het onderzoek." Een deel
van die mensen (33%) gaat gewoon door met hun huidige behandeling. Dat is de
controlegroep. De andere deelnemers (67%) krijgen het advies om samen met hun
reumatoloog hun TNF-blokker af te bouwen. Loting bepaalt wie in welke groep
terechtkomt.
Alleen
als het kan
De
groep die de TNF-blokker gaat afbouwen, doet dit in een periode van een half
jaar. Van Herwaarden: "We doen dit door in stappen van 3 maanden de tijd
tussen de injecties te verlengen. Na een half jaar stoppen we met het
medicijn. We kijken dan nog een jaar lang hoe het gaat. De controlegroep
volgen we ook achttien maanden lang." Tijdens het onderzoek blijft de
eigen reumatoloog de behandelaar die de beslissingen neemt over de medicatie.
De onderzoekers van de Sint Maartenskliniek verlagen of stoppen het gebruik
van de TNF-blokker alleen als het kan en als het niet méér klachten van de
reuma geeft. "Is dat laatste wel het geval, dan verhogen we de dosis weer
of wordt het middel weer herstart", aldus van Herwaarden.
Wat
is er anders?
Voor
de deelnemers aan het onderzoek zijn er veel dingen hetzelfde als bij de
reguliere behandeling. Hoe vaak ze moeten komen verandert bijvoorbeeld niet of
nauwelijks. Ook hoeven ze niks te veranderen aan hun levensstijl en aan de
andere medicatie die ze gebruiken. "Wel vullen deelnemers bij iedere
visite een aantal aanvullende vragenlijsten in en wordt er bij hen een extra
buisje bloed afgenomen", legt van Herwaarden uit. "Bovendien maken
we van beide groepen op twee momenten röntgenfoto’s van handen en voeten.
Ook krijgen de patiënten die afbouwen één of twee keer een PET-scan van de
gewrichten, als ze daarmee akkoord zijn. En misschien wel het belangrijkste
verschil: het risico op bijwerkingen van de TNF-blokker wordt kleiner of
verdwijnt zelfs helemaal."
Voor
meer informatie over de DRESS-studie van de Sint Maartenskliniek neemt u
contact op met drs. N. van Herwaarden of dr. A.A. den Broeder via 024 - 365
9409.