|
Reumatologen
De
reumatologen van de Sint Maartenskliniek vullen op deze plaats
maandelijks een rubriek, en geven het liefst antwoorden op vragen
die komen van onze
leden/patiënten.
Artrose
meest voorkomende aandoening
‘Sinds 2007 is er op de
polikliniek Reumatologie van de Sint Maartenskliniek een spreekuur
voor de niet-operatieve behandeling van knie- en heupartrose. Wat
houdt dat precies in?’ In dit artikel gaat Gijs Snijders,
arts-onderzoeker/reumatoloog in opleiding, daar uitgebreid op in.
Artrose
is de meest voorkomende reumatische aandoening. Geschat wordt dat in
Nederland ruim een half miljoen mensen van boven de 55 jaar knie
en/of heupartrose hebben. Een nog groter aantal heeft op de
röntgenfoto afwijkingen die passen bij artrose.
Artrose
kan ontstaan op basis van een onderliggende ziekte zoals reumatoïde
artritis (secundaire artrose) maar ontstaat meestal zonder
duidelijke oorzaak. In dat geval spreken we van primaire artrose.
De
belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van primaire artrose
zijn:
Leeftijd,
vrouwelijk geslacht, ongelukken met de gewrichten (bijv. een breuk
of meniscusletsel) en overgewicht.
Artrose
wordt vooral gekarakteriseerd door afname van het
gewrichtskraakbeen, maar gaat ook gepaard met afwijkingen aan andere
structuren in en rond het gewricht, zoals bot, pezen en spieren. Tot
op heden zijn we niet in staat om artrose af te remmen. De momenteel
beschikbare behandelingen zijn voornamelijk gericht op het
verminderen van de klachten.
Het
knie- en heupartrose spreekuur is bedoeld voor de behandeling van
mensen met primaire knie en/of heupartrose die daar klachten van
ondervinden. Die klachten bestaan
vooral uit pijn (met name na of
tijdens bewegen) en stijfheid (vooral bij starten van
bewegen). Tevens kan ook de functie van knie of
heup beperkt zijn, bijvoorbeeld het buigen van de knie
of het draaien van de heup. Over het algemeen zijn
de klachten bij artrose zeer wisselend.
De
behandelingen die geadviseerd worden zijn afkomstig
uit behandelrichtlijnen (voornamelijk gebaseerd op
de resultaten van wetenschappelijk onderzoek) De
belangrijkste behandelingen zijn pijnstillers (zoals
paracetamol) en ontstekingsremmende pijnstillers (z.g.
NSAIDs, zoals ibuprofen), spierversterkende oefeningen
en conditieverbetering (evt. onder begeleiding
van een fysiotherapeut) en het advies om
af te vallen indien er sprake is van overgewicht. Eventueel
kunnen er (bij knieartrose) ontstekingsremmende injecties
worden gegeven.
Daarnaast
wordt er uitgebreid uitleg gegeven over het
ziektebeeld en worden er leefstijladviezen gegeven. De
belangrijkste van die adviezen zijn: blijf bewegen
en probeer af te vallen indien er sprake is
van overgewicht. Uit onderzoek is gebleken dat mensen
met artrose die in beweging blijven minder klachten
ervaren dan mensen die stil gaan zitten. Het
is daarbij belangrijk om te weten dat men door te bewegen
het artroseproces niet versnelt, mits men de
gewrichten niet extreem belast.
Ook
is het zo dat toename van pijn niet automatisch betekent
dat de knie of heup achteruit gaat. Vandaar dat
het geen kwaad kan om pijnstillers te nemen waardoor
men meer en langer kan belasten. Sterker nog:
Vaak is het zo dat mensen onder gebruik van pijnstillers
beter hun spieren kunnen trainen en hun conditie
verbeteren, waardoor er uiteindelijk minder of
geen pijnstillers meer nodig zijn. Ten aanzien van overgewicht
geldt dat afvallen de klachten kan verminderen, met
name bij knieartrose. Op het
knie- en heupartrose spreekuur wordt ook wetenschappelijk
onderzoek verricht. Momenteel wordt
er gekeken of echografie van de knie waardevol is
bij de behandeling van knieartrose. Tevens is gekeken
of het zinnig is om een tweede pijnstiller te proberen
als men op de eerste onvoldoende effect had.
Hiervoor worden mensen die op het spreekuur komen
eventueel gevraagd om vragenlijsten in te vullen
en om een echo van de knie te ondergaan (in geval
van knieartrose) Op deze manier hopen we de
behandeling van artrose verder te verbeteren.
Momenteel
wordt er gekeken of het mogelijk is om zogenaamde
groepspoli’s voor knie- en heupartrose in
te richten. Hierbij krijgen patiënten in kleine groepen de
uitleg en adviezen. Ook wordt er dan een geïndividualiseerd
medicatiebeleid ingesteld. Voor
verwijzing naar het knie- en heupartrose spreekuur is
een verwijsbrief van de huisarts, orthopeed, reumatoloog
of eventuele andere specialist nodig.
Steeds
minder reumahanden
Annemiek Stenger
is medisch coördinator van het Ambulant Reuma Centrum en neemt
deel aan het lopende wetenschappelijk onderzoek binnen de Sint
Maartenskliniek.
Voor veel mensen is de
typische ‘reumahand’, met van die opzij staande vingers een van
dé kenmerken van reuma. Hoe komt het toch dat we dat steeds minder
zien? In onderstaand artikel gaat mw. Stenger daar dieper op
in.
De
afgelopen jaren is de behandeling van reumatische aandoeningen sterk
veranderd. Met de komst van de biologicals (zoals TNF-α
blokkers) hebben we medicijnen in handen gekregen waarmee in de
meerderheid van de gevallen reumatische aandoeningen goed onder
controle gekregen en gehouden kunnen worden. Ook vóór de komst van
de biologicals waren we al gewend dat reuma, met de ons toen ter
beschikking staande medicijnen of combinaties daarvan, steeds eerder
en beter was te behandelen Dit heeft er toe geleid dat het beloop
van reumatische aandoeningen ook veranderd is. We zien dan ook
steeds minder blijvende schade en beperkingen. Zo zien we ook de
typische reumahand, waarbij de vingers uit de kom zijn geschoten
en/of naar opzij zijn gaan staan, steeds minder.
Echter,
wanneer reuma al langere tijd aanwezig is, kunnen beschadigingen in
het verleden toch al zijn opgetreden. Bovendien lukt het soms ook nu
niet goed om de reuma onder controle te krijgen, bijvoorbeeld omdat
diverse medicijnen niet goed aanslaan of omdat patiënten meerdere
soorten medicijnen niet goed kunnen verdragen. Ook in die gevallen
kan soms blijvende schade aan de gewrichten ontstaan die, naast pijn
en stijfheidklachten, ook kan leiden tot functieverlies van de hand
door standsafwijkingen.
De
typische vorm van de reumahand ontstaat doordat de MCP-gewrichtjes
(dit zijn de gewrichtjes aan de basis van de vingers) beschadigd
raken. De strekpezen van de vingers, die normaal in een gootje
midden over het MCP-gewrichtje lopen, glijden van het beschadigde
gewrichtje af en trekken de vinger daardoor opzij. Ook schieten de
MCP-gewrichtjes door beschadigingen nog weleens uit de kom, waardoor
het kopje (deels) onder het kommetje komt te liggen. Met name de
grijpfunctie van de hand kan hierdoor verslechteren, patiënten
kunnen de vingers minder goed buigen en ze kunnen soms hinderlijk
blijven haken achter afstaande vingers, vooral de pink.
We
proberen in het algemeen eerst met oefentherapie en spalktherapie de
stand en functie van de hand te verbeteren. Wanneer dit geen effect
heeft, bekijken we samen met de orthopedisch handchirurg of een
operatie soelaas zou kunnen bieden. De belangrijkste redenen om te
kiezen voor operatie zijn met name functieverlies en pijn, niet
zozeer het uiterlijk van de hand. In het geval van de reumahand
wordt vaak gekozen voor vervanging van de MCP-gewrichtjes door
kunstgewrichtjes. In de meeste gevallen wordt een dergelijke ingreep
gecombineerd met het verleggen van de strekpezen van de
desbetreffende vingers, om te voorkomen dat ook de nieuwe
kunstgewrichtjes door de pezen uit de kom worden getrokken.
Daarnaast
wordt eventueel nog aanwezig ontstekingsweefse rond het gewrichtje
of de pees verwijderd. Soms is ook de pols dusdanig beschadigd dat
deze vervangen moet worden door een kunstgewricht of eventueel
vastgezet. De pols wordt dan als eerste geopereerd, omdat de stand
van de pols ook van invloed is op de stand van de vingers.
Wanneer
in goed overleg met de patiënt gekozen wordt voor een operatie,
worden patiënten in het algemeen voorafgaand daaraan begeleid door
de fysiotherapeut en/of de ergotherapeut ter voorbereiding op de
operatie en het revalidatietraject daarna. In het algemeen moeten
mensen zo’n 6 weken na de operatie handoefentherapie volgen met
behulp van een zogenaamde dynamische spalk. Dit is een spalk met
elastiekjes aan de bovenzijde, waardoor al kort na de operatie
veilig gestart kan worden met oefentherapie ter optimalisatie van de
handfunctie, zonder de pezen gelijk te overbelasten. In het algemeen
wordt met dergelijke operaties een verbetering van de handfunctie
bewerkstelligd. Het betreft wél een intensief traject. Het is dan
ook belangrijk de voor- en nadelen goed tegen elkaar af te wegen,
alvorens tot operatie te besluiten.
"Meeloper"
medicijnen
Waarom
krijg je bij sommige medicijnen zogenaamde "meeloper",
medicijnen die er standaard bijgegeven worden zoals bv. foliumzuur
bij metotrexaat en omeprazol bij diclofenac? In
onderstaand artikel gaat reumatoloog Agnes Eijsbouts (sint
Maartenskliniek) daar dieper op
in.
Er
zijn inderdaad enkele vaste combinaties van medicijnen, die altijd
gegeven worden, maar de redenen om dit te doen zijn verschillend.
Behalve de bovengenoemde combinaties denk ik ook bv. aan het geven
van calcium en vitamine D bij bisfosfonaten (tegen botontkalking).
Soms
worden ze gegeven om bijwerkingen te voorkomen, maar soms ook als
aanvulling.
Zoals
bekend hebben medicijnen een gunstige werking waarvoor ze worden
gegeven, zoals het verminderen van de activiteit van de reuma of het
verminderen van pijn. Helaas kunnen ze ook een ongunstige werking
hebben en dat noemen we dan een bijwerking. Niet bij iedereen treden
gelukkig bijwerkingen op en sommige bijwerkingen komen ook niet zo
vaak voor. Bij bijwerkingen die wel vaak voorkomen kan het zinnig
zijn er een medicament bij te geven om die te voorkomen, zodat de
patiënt er geen last van krijgt en wel met dat medicijn behandeld
kan worden.
In
het geval van metotrexaat bleek dat een deel van de patiënten
bijwerkingen ontwikkelde zoals maag- en darmklachten of een
gestoorde leverfunctie. Omdat metotrexaat inwerkt op de aanmaak van
foliumzuur, een vitamine die belangrijk is bij de celdeling, kwam
men op het idee om patiënten extra foliumzuur te geven in de hoop
dat dan die bijwerkingen minder vaak zouden optreden. Er is een
grote studie gedaan waarin dit netjes is uitgezocht en dit bleek te
werken! Sindsdien krijgen alle patiënten bij metotrexaat extra
foliumzuur.
Diclofenac
is een NSAID (non-steroidal-anti-inflammatory-drug); een pijnstiller
en ontstekingsremmer. Daar zijn er veel verschillende van zoals
bijvoorbeeld ook brufen of naproxen. Een veel voorkomende bijwerking
van deze middelen is dat ze bij chronisch gebruik maagklachten en
zelfs een maagzweer of maagbloeding kunnen veroorzaken, met soms
ernstige gevolgen. Sinds de ontwikkeling van effectieve
maagbeschermers (zoals omeprazol of pantoprazol) zien we die
gelukkig bijna nooit meer. Vooral aan patiënten met een verhoogd
risico op het krijgen van deze maagproblemen, zoals eerdere
maagproblemen, hogere leeftijd of het gebruik van prednison of
antidepressiva, geven we zo’n maagbeschermer er standaard bij.
Daarnaast kan ook gekozen worden voor een zogenaamde selectieve
COX2-remmer (zoals celebrex of Arcoxia) die veiliger zijn voor de
maag. Ook bestaat er een combinatiepreparaat Artrotec (een
combinatie van diclofenac met de maagbeschermer misoprostol), maar
die wordt vaak niet goed verdragen omdat die vaker diarree, buikpijn
en soms braken veroorzaakt. Voor iedere patiënt moet gekeken worden
wat het beste bij hem of haar past en soms moet enkele keren
gewisseld worden tot een geschikte gevonden is.
Bij
botontkalking (osteoporose) wordt meestal behandeld met een
bisfosfonaat. Daarbij wordt vaak calcium gegeven en vitamine D. Het
bisfosfonaat zorgt er voor dat er meer calcium in het bot wordt
vastgezet, maar dan moet er wel voldoende calcium binnenkomen. De
voornaamste bron van calcium in onze voeding zijn melk en
melkproducten als yoghurt en kaas. Bij navragen blijken veel mensen
te weinig hiervan te gebruiken per dag en er wordt dan vaak extra
calcium voorgeschreven. Voor de vorming van vitamine D is zonlicht
nodig en hiervan blijken wij in ons kikkerlandje te weinig te
krijgen. Als je dan ook nog weinig buiten komt of de huid veel
bedekt houdt, is dat risico nog groter. Vitamine D speelt ook een
rol bij het versterken van de botten, dus wordt dan extra aangevuld.
Het
is altijd vervelend meer medicijnen te moeten gebruiken, maar het is
voor een goed doel: Minder kans op bijwerkingen of een beter effect.
Dagbehandeling,
naast andere behandelingen van reuma-aandoeningen
Dagbehandeling als één van de aanvullende behandelingen naast
medicijngebruik. Dit onderwerp geeft aan dat er veelzijdige
vormen van behandelingen voor reuma naast elkaar mogelijk zijn.
In onderstaand artikel laat
reumatoloog Maartje Hoefnagels (Sint Maartenskliniek) zien hoe het in de praktijk werkt.
De
behandeling van reumatische aandoeningen is veelzijdig. Naast
medicatie is er in veel gevallen aanvullende behandeling mogelijk,
bijvoorbeeld in de vorm van dagbehandeling.
Ik
ben als reumatoloog aan de zijlijn bij de dagbehandeling betrokken,
aangezien het echte werk wordt gedaan door een multidisciplinair
team van paramedici: een reumaverpleegkundige, fysiotherapeut,
ergotherapeut, psycholoog en maatschappelijk werkster. Een
dagbehandelingstraject duurt gemiddeld 6-8 weken gedurende 1-2 dagen
in de week. Het vraagt een hele investering, maar levert ook echt
wat op!
De
indicatie voor de dagbehandeling wordt door de eigen behandelaar
gesteld. De dagbehandeling richt zich niet zozeer op de ziekte zelf,
maar vooral op het leren omgaan met de ziekte. Het doel is om de
kwaliteit van het leven met de ziekte te maximaliseren. Er kan
bijvoorbeeld sprake zijn van veel pijn en vermoeidheid, of dat
iemand zijn draai in het dagelijks leven niet goed kan vinden.
Hierbij spelen acceptatie en het leren omgaan met beperkingen vaak
een belangrijke rol. Mijn eigen ervaring is dat juist in dat geval
dagbehandeling zeer waardevol kan zijn.
Hoe
gaat het verder in zijn werk?
Patiënten krijgen eerst een intakegesprek, waarin haalbare doelen
worden vastgesteld. Daarbij wordt ook wordt gekeken of iemand echt
gemotiveerd is om aan deze doelen te werken en bereid is tot
aanbrengen van veranderingen in zijn of haar leven. Daarnaast wordt
bepaald of een individuele aanpak of een groepsbehandeling het meest
op zijn plaats is.
Wat
houdt een dergelijke multidisciplinaire behandeling in?
Wij zien bijvoorbeeld dat veel patiënten met een reumatische
aandoening “een stapje terug moeten doen.” Wij noemen dit het
afstemmen van de belasting op de belastbaarheid. Energieverdeling
speelt daarbij een belangrijke rol. Het gaat erom de patiënt dit te
leren toepassen in het dagelijkse leven. Aangezien
gedragsverandering in veel gevallen geen makkelijke opgave is, biedt
de dagbehandeling de hulp van verschillende paramedici.
Bewegingsangst is ook een veelvoorkomend probleem dat wij in de
dagbehandeling samen aanpakken. Door voldoende informatie en inzicht
in het ziektebeeld te geven leren we mensen hun angst om te bewegen
te overwinnen. Een fysiotherapeut zal patiënten met bewegingsangst
weer leren ervaren dat bewegen fijn is, bijvoorbeeld in het water of
in de oefenzaal.
Een
ander belangrijk thema is het leren grip te krijgen op de ziekte, en
dus op je eigen leven. Het leren keuzes te maken, grenzen en
prioriteiten te stellen. Dit kan heel concreet bijvoorbeeld zijn:
kiezen voor een dag met de kleinkinderen in plaats van allerlei
huishoudelijke werkzaamheden.
Tot
slot: het geeft veel voldoening om mensen te zien opleven tijdens
een multidisciplinair traject. De kracht zit hem echt in het
teamwork!
Bewegen
en sporten voor reumapatiënten
Karen Bevers, reumatoloog in het
Sint Maartenskliniek vertelt over de zin en onzin van
bewegen en sporten voor reumapatiënten. Use it or loose it, en
wat ook nog steeds opgaat is dat....rust altijd roest.
De
dagen dat we de reumapatiënt in een bed in tractie legden en weken
bedrust voorschreven zijn inmiddels voorgoed verleden tijd. Destijds
was het blijkbaar een natuurlijke reactie om mensen tot rust te
manen uit angst om nog meer te beschadigen. Inmiddels zijn we ook op
dit terrein een stuk wijzer geworden. De meeste reumapatiënten
weten inmiddels wel dat het oude spreekwoord ‘rust roest’ ook op
hen van toepassing is en het beter is om in beweging te blijven.
Maar wat is er op dit terrein wetenschappelijk bewezen? Wat wordt
aangeraden voor de verschillende vormen van reuma? En niet
onbelangrijk: wat wordt er eigenlijk door de verzekeraar vergoed?
Goed
uitgevoerd onderzoek bij patiënten met reumatoïde artritis heeft
aangetoond dat intensief bewegen vele voordelen heeft: patiënten
voelen zich beter en kunnen meer en het heeft geen enkel negatief
effect op gewrichtsbeschadiging. Naar aanleiding daarvan is ook het
RAPIT (Reumatoïde Artritis Patiënten In Beweging) programma
ontwikkeld waarin groepsgewijs intensief twee maal per week gesport
wordt door reumapatiënten, waarbij getraind wordt op soepelheid en
uithoudingsvermogen. Dit programma wordt inmiddels aangeboden door
veel fysiotherapie praktijken. Er is geen onderzoek gedaan naar
andere vormen van artritis, maar het is zeer waarschijnlijk dat
hiervoor hetzelfde geldt: zo veel mogelijk bewegen stimuleert de
algemene conditie en soepelheid en helpt in de strijd tegen het
overgewicht. Voor sommige reumapatiënten is het sporten in water
een goede optie. Dit wordt vaak hydrotherapie genoemd en kan een
goede manier zijn om met beperkingen toch zo optimaal mogelijk te
bewegen. Uiteraard is het soms door prothesen of andere beperkingen
niet mogelijk om zo intensief te sporten, maar in het algemeen
geldt: doe wat je kunt, eventueel onder begeleiding van een
fysiotherapeut. Hoe meer hoe beter! Veel mensen bezoeken met enige
regelmaat een masseur. Over deze behandelingen weten we inmiddels
dat ze geen blijvend effect hebben. Het verlicht de klachten soms
wel kortdurend, maar het is eigenlijk een beetje ouderwets. Het kan
overigens geen kwaad! Daarnaast zijn er nog allerlei therapeuten die
hun diensten aanbieden zoals bijvoorbeeld Mensendieck, Manuele- en
Cesar therapie.
Deze
zijn vaak niet in reuma gespecialiseerd, maar kunnen soms bij een
specifiek probleem hun expertise inzetten. Voor mensen met
reumatoïde- of andere vormen van artritis geldt door de bank
genomen dat alle bovengenoemde vormen van therapie vrijwel onbeperkt
door de verzekeraar vergoed worden. Anders is het voor mensen met
artrose en fibromyalgie. Voor de meeste verzekeraars geldt dat ze
therapie vergoeden volgens ‘de lijst Borst’. Deze lijst is
opgesteld door mevrouw Borst toen zij nog minister was en bevat een
opsomming van diagnosen waarmee patiënten in aanmerking komen voor
chronische fysiotherapie. Artrose en fibromyalgie staan niet op deze
lijst. Dat betekent dat voor deze mensen vaak maar een beperkte
vergoeding (meestal zo’n 10 behandelingen) beschikbaar is. De
beleidsmakers zijn er van uit gegaan dat deze mensen wel uitleg
kunnen krijgen over hoe er gesport moet worden, maar dat ze dit
daarna zelfstandig moeten gaan uitvoeren en daarvoor ook zelf moeten
betalen net zoals iedereen die wil sporten. De meeste verzekeraars
bieden overigens wel een aanvullend pakket waarin chronische
fysiotherapie vergoed wordt. Gezien de huidige mogelijkheid om van
verzekeraar te switchen kan het zinvol zijn om eens uit te zoeken
welke verzekeraar dat tegen een goede prijs vergoed als u voor
chronische vergoeding in aanmerking wilt komen.
We
krijgen als reumatoloog nogal eens de vraag of we de diagnose op de
verwijzing willen ‘aanpassen’ om zo toch voor chronische
vergoeding in aanmerking te komen. De meesten van ons doen dit
liever niet. En dat is echt niet uit onwil! Het heeft te maken met
het feit dat de controles op vergoedingen en machtigingen steeds
strenger wordt en dat je als dokter dan gefraudeerd hebt. Daarnaast
is het ook niet juist als u als patiënt bij de verzekeraar
geregistreerd staat als iemand met een ernstige chronische ziekte,
terwijl u die niet heeft. Dit kan namelijk ook consequenties hebben
als u daarna hier terecht wilt voor bijvoorbeeld een
levensverzekering. Wel kunt u van uw reumatoloog, reumaconsulente en
fysiotherapeut verwachten dat ze met u meedenken over manieren van
bewegen die bij u passen en ook betaalbaar zijn op de lange termijn.
Zo
zijn er vaak gym- en sportclubs waar u tegen gereduceerd tarief kunt
sporten op bijvoorbeeld ‘dal’-uren of als u 65 plus bent. Ook
lidmaatschap van een patiëntenvereniging biedt vaak de mogelijkheid
om tegen goedkoper tarief te sporten of te zwemmen. Ook al komt het
er niet altijd uitgebreid ter sprake in de spreekkamer: we kunnen
het belang van bewegen niet vaak genoeg benadrukken. Dus spreek ons
er gerust over aan. En overigens… dat ‘use it or loose it’
geldt voor ons net zo goed als voor u! Dus snel die hardloopschoenen
maar weer uit de kast gepakt, want u heeft meer aan een fitte en
alerte, dan aan een uitgebluste en wat trage dokter.
Reuma-medicijnen
in combinatie met foliumzuur
Elien Mahler,
reumatoloog in de Sint Maartenskliniek, legt uit wat bethotrexaat
(MTX) is en waarom deze wordt voorgeschreven in
combinatie met foliumzuur, en waarom het beter is foliumzuur op
een andere dag in te nemen dan MTX.
Methotrexaat
(MTX) is een veel voorgeschreven medicijn bij reumatische
aandoeningen. Voor ons als reumatologen gaat het schrijven van een
recept ervan automatisch gepaard met het voorschrijven van
foliumzuur. Waarom wordt dit eigenlijk altijd gecombineerd? En
waarom op een andere dag dan de MTX? Daarvoor is het zinvol om eerst
wat meer over MTX te weten.
MTX
is één van de meest voorgeschreven reumabestrijdende medicijnen en
heeft als doel het ontstekingsproces tot rust te brengen om zo
minder schade op te lopen aan de gewrichten op de lange termijn. Na
enige tijd kunnen hierdoor klachten als pijn, stijfheid en zwelling
van de gewrichten afnemen. MTX wordt voor bijna alle reumatische
indicaties wekelijks voorgeschreven in een dosering van 5-30 mg. Dit
wordt bij voorkeur gecombineerd met tweemaal per week 5 mg
foliumzuur op een niet-MTX-dag. Zoals elk medicijn heeft ook MTX
bijwerkingen en daarmee heeft dat te maken. Bekende bijwerkingen van
MTX zijn in lichte mate “niet lekker voelen”, maag- en
darmklachten zoals een vol gevoel, misselijkheid of diarree vooral
op de dag van inname, ontstekingen van het mondslijmvlies (aften) en
verhoging van bepaalde leverwaarden in het bloed. Uit
wetenschappelijk onderzoek weten we dat door op andere dagen dan de
MTX-dag extra foliumzuur in te nemen, de kans op vooral de laatste
bijwerking vermindert.
Hoe
werkt dat dan?
MTX is een stof dat veel op foliumzuur lijkt. In het lichaam kan de
MTX de plaats innemen van foliumzuur; de MTX verjaagt als het ware
foliumzuur van zijn plaats. Maar omdat de MTX er net anders uitziet,
kan deze niet de werking van foliumzuur overnemen. Als de MTX de
plek inneemt van foliumzuur, is die plaats als het ware zinloos voor
het lichaam omdat dat een niet functionerende binding is geworden.
Het lichaam heeft te weinig bindingen met foliumzuur en teveel met
MTX. Foliumzuur (vitamine B11) op deze binding zorgt normaal voor de
opbouw van DNA en kan zijn werking niet goed uitoefenen waardoor de
bijwerkingen van MTX kunnen ontstaan. Door extra foliumzuur toe te
voegen, weten we dat de frequentie en ernst van bijwerkingen van MTX
kan reduceren.
Waarom mag dit dan niet op de MTX dag?
Het idee hierachter is dat de MTX dan te weinig kans heeft om te
werken, omdat foliumzuur dan de bindingsplek van de MTX inneemt. Als
MTX geen kans heeft zich te binden, kan het ook niet werken. We
weten dat de effectiviteit van MTX niet in belangrijke mate afneemt
door tenminste een- en vaak tweemaal 5 mg foliumzuur per week op een
niet-MTX-dag in te nemen.
Hoe
wordt foliumzuur verdeeld over de week?
In de praktijk worden doseringen gegeven die variëren van 0,5 mg 1
maal per dag op de 6 niet-MTX-dagen van de week (totaal 3 mg per
week) tot 5 mg 1 maal per dag op 3 niet-MTX-dagen (15 mg per week).
Omdat tabletten van 0,5 mg niet meer vergoed worden en tabletten van
5 mg wel, is de aanvankelijk gebruikelijke dosering van 1
mgfoliumzuur op de 6 niet-MTX-dagen bij veel patiënten gewijzigd in
5-15 mg foliumzuur per week op niet-MTX-dagen. Bij MTX-doseringen
van 15 mg of meer is het gebruikelijk om tweemaal per week 5 mg
foliumzuur te geven. Verder is MTX in combinatie met veel medicijnen
te gebruiken. Wat wel belangrijk is om te weten, is dat MTX niet
samen mag worden gebruikt met sommige antibiotica. Dat hangt ook
samen met bovengenoemde binding op foliumzuurplaats. Bepaalde
antibiotica, cotrimoxazol (Bactrimel®) en trimethoprim, die meestal
worden gebruikt bij long- of blaasontstekingen gaan, net als MTX,
ook de werking van foliumzuur tegen. De bijwerkingen van MTX kunnen
dan versterkt worden en daarom mag iemand die MTX gebruikt nooit
behandeld worden met deze antibiotica. Het is dus belangrijk altijd
te vermelden dat u MTX gebruikt en een overzicht met de gebruikte
medicatie altijd bij u te hebben. Denk bijvoorbeeld aan een situatie
dat iemand onverwacht op de spoedeisende hulp terecht komt, mogelijk
in een ander ziekenhuis, waar het medicatiegebruik niet bekend is.
Bovendien werken maar weinig specialisten met MTX en daardoor kennen
niet alle dokters de gevaarlijke combinatie van MTX en deze
antibiotica. Mochten er ondanks gebruik van foliumzuur toch
bijwerkingen optreden, dan kan door regelmatig bloedonderzoek een
eventuele stoornis in de werking van de lever en in de aanmaak van
het bloed in een vroeg stadium worden ontdekt. Net na start met MTX
doen we dat frequenter dan bij iemand die de MTX al langer gebruikt.
Overigens verdwijnt een verhoogde leverwaarde vrijwel altijd na het
verminderen van de dosis; zelden is het nodig om te stoppen met de
medicatie.
Tenslotte
is het zo dat alcohol in combinatie met het gebruik van MTX de kans
op stoornissen in de werking van de lever vergroot. Neem daarom niet
meer dan één alcoholconsumptie per dag. Na dit verhaal over met
name de bijwerkingen is het in de praktijk in het algemeen zo dat
tienduizenden patiënten met reumatische ziekten al jarenlang veilig
MTX met foliumzuur gebruiken.
De
erfelijke factoren van reuma
Dr. Henk
Martens, over de
erfelijke factoren van reuma. In hoeverre is iemand, waarvan
één ouder reuma heeft erfelijk belast, en is de erfelijkheid
voor iedere vorm van reuma hetzelfde. Hieronder een
uiteenzetting.
Op
het spreekuur komt regelmatig de vraag naar voren of reuma erfelijk
is. Het woord reuma is eigenlijk niet zo handig gekozen, omdat we
als reumatoloog te maken hebben met tientallen verschillende
reumatische aandoeningen. Vaak wordt met “reuma” reumatoïde
artritis bedoeld, maar de mate van erfelijkheid kan per reumatische
aandoening verschillend zijn.
Met
erfelijke ziekten bedoelen we vaak ziekten waarvan, als (één van)
de ouders de ziekte heeft of drager is, de kans bijv. 25 of 50% is
dat de kinderen het ook krijgen. In het algemeen kan gesteld worden
dat reumatische ziekten niet in die zin typisch erfelijk zijn; de
kans op overerving is vele malen kleiner dan bij “typisch
erfelijke” ziekten. Toch valt er wel wat meer te vertellen over
erfelijkheid, genetische factoren en reumatische ziekten. Als
voorbeeld neem ik één van de meest voorkomende reumatische
aandoeningen, reumatoïde artritis, afgekort als RA.
De
precieze oorzaak van RA is niet bekend. Genen of
genetische/erfelijke factoren spelen een belangrijke rol, maar er is
meer nodig om de ziekte tot uiting te laten komen. Dit blijkt onder
andere uit onderzoek bij eeneiige tweelingen.
Eeneiige
tweelingen hebben precies dezelfde genen, maar de kans dat als één
helft van de tweeling RA heeft, de andere helft dat ook heeft is “slechts”
15 tot 30%. Dit betekent dat andere dan erfelijke factoren
belangrijker zijn voor het ontstaan van RA. Welke deze anderen
factoren dan zijn voor een deel onbekend. De gedachte is dat
omgevingsfactoren een rol kunnen spelen. Een omgevingsfactor die
goed is onderzocht is roken. Een bepaalde genetische variant geeft
in combinatie met roken een 21-voudig risico op het krijgen van RA!
Bovendien verloopt de RA vaak ernstiger (meer ontsteking en meer
beschadiging van de gewrichten) bij deze combinatie. RA komt
ongeveer bij 1% van de bevolking voor. De kans op overerving (ouder
op kind) bij RA is 2 tot maximaal 10%. Dit betekent dus dat voor een
kind van een RA patiënt de kans om niet RA te krijgen 90% of groter
is! Erfelijkheid is dan ook nooit een reden om RA patiënten te
ontraden om kinderen te krijgen.
Ook
voor andere reumatische ziekten geldt dat de kans om de ziekte over
te erven erg klein is. Al met al kunnen we zeggen dat bij
reumatische ziekten genen en erfelijke factoren een rol spelen, maar
dat de kans op daadwerkelijke overerving uiteindelijk erg klein is.
|
*** |
Naar
boven? Dubbelklik op een willekeurige plaats van de pagina |
*** |
|